Langzaam

Langzaam neem ik afscheid van moeder. We zitten samen rond haar bed. Haar ademhaling  blijft onregelmatig en stokt af en toe. 

Zacht druppelen stukjes herinnering op het deksel van mijn mentale koffer vol jeugdsentiment. Weemoedig draal ik, speel bijna gedachtenloos met de denkbeeldige gesp. Iets weerhoudt mij het deksel te openen. Het uitnodigend gedruppel zwelt aan tot een zachte dwang. Ik ga overstag.

Het deksel valt krakend open. De stoffige geur van lange warme zomers verspreidt zich als een zachte nevel in mijn hoofd. En plots hoor ik haar stem, levensecht in mijn oren. Alleen de klank, zonder concrete woorden; het zachte timbre waarmee ze vastberaden, veeleer koppig, besliste wat goed was voor ons. We haatten dat zo. Het is jaren geleden dat we haar stem nog zo hebben gehoord.

En ik beleef weer haar ‘rijstijl’, als grootste motivatie het zelf te leren; krampachtig en steeds met 2 handen vastgesnoerd rond het stuur, enkel onderbroken door een hevige ruk aan de versnellingspook. Haar maximum snelheid overschreed nooit de helft van de snelheid van de andere auto’s.

In de absurditeit van het nu wachten we op haar laatste ademtocht. We verwachten, zonder verlangen, evenmin reikhalzend of ongeduldig. En we hopen, biddend een smeekbede, dat ze niet moet lijden. 

Langzaam neem ik afscheid van mijn moeder.

Advertenties