Achteloos

“Ben je al bekomen?” vroeg ze achteloos, zoals “Hoe gaat het?”

6 maand voordien had ik mijn kind begraven; 3 jaar strijd tegen kanker. Nooit iets van haar vernomen. 

Ik stamelde verbouwereerd “anders benoemen”. Ze repliceerde “moedig dragen”.

Ik zag ze nog bij het weggaan, lurkend aan haar kankerstokje, me vertwijfeld toeknikkend. Ooit een bewonderenswaardige vrouw, nu slechts een vage schim.

Advertenties

Hemel

“Jij bent al oud dus jij gaat dood!”
Zei de vierjarig dreumes plots.

“En dan zwaaide ik naar jou
En dan moest jij terugzwaaien naar mij.
Niet vergeten hè!”
Voegde hij er streng aan toe.

“Maar ik ging mee hoor met jou.
Dan klom ik op je rug
En gingen we samen naar de hemel.”
Zei hij nog snel.

Leurder af

Hij opende de voordeur; klein, oud en leunend op een stok.
“Wat kan ik voor je betekenen?” sprak hij met zachte stem, ogen breekbaar en strelend tegelijk.
Op slag vergat ik mijn verkoopspraatje, overrompeld door zoveel vriendelijkheid. Stamelend probeerde ik nog maar eindigde abrupt. Zijn wachtende stilte verpletterde mijn laatste kruimeltje leurderswil. Ik draaide mij beschaamd om en vertrok, voorgoed. 

Aandacht

“Ik mis je”, zuchtte je zacht fluisterend.
We zaten hand in hand en genoten van de zachte avond.
“Maar ik bèn er toch” antwoordde ik verbaasd.
“En toch mìs ik je” herhaalde je vastberaden.
Je keek mij plots heel ernstig aan.
“Ik mis je aandacht; zonder afleiding, zonder verstrooiing!” benadrukte je.
Met rode kaken verdoezelde ik mijn telefoon.

Wenkbrauw

Grijze weerbarstige wenkbrauwen trillen gelaten. Stramme voeten sloffen naar het raam en ogen priemen vol verwachting naar buiten. Ze is er niet, opnieuw. Het kale hoofd buigt teleurgesteld en twee vingers wrijven de wenkbrauwen plat. Verrimpelde handen openen het raam, het oude lichaam buigt hunkerend naar voor. 

Een doffe knal weerklinkt door de straat. Het open raam driehoog; sprong of val. 

Loesje

Loesje stapt kordaat langs de achterdeur naar binnen, draait met haar sierlijke hoofd heen en weer en begint te ijsberen door de keuken. Haar trots wiebelende billen benadrukken haar brutale annexatie van mijn kookvesting. Ik protesteer luid, dreig met hakblok en soepkom, maar tevergeefs; mijn vrouw adoreert Loesje en ruilt mij in voor een knuffelkip.

De verpleger

“Je hebt mij geroepen?”
Het overslaande stemmetje klonk vreemd in de drukkende ziekenhuiskamer. Zijn zwarte snor benadrukte het zorgvuldig getrimde baardje.
“Pooiersnor”, dacht ik gemeen. Mijn hand tikte zenuwachtig de vasthangende handboeien tegen de rand van het bed.
Hij ververste sierlijk zorgzaam mijn doorbloede verband. “Meesterjanet” schoot het door mijn hoofd, en ik at met lange tanden mijn laatste avondmaal.