Morgen

Morgen wereldlichtjesdag.
Met kaarsjes
– zonder kind.

Advertenties

Vriendschap

Pas als alle feest gedaan is
En de schone schijn verdwenen
Louter vuilnis van het leven
Jouw pad weet te bezaaien
Dan pas zie je helder
Wie je ware vrienden zijn.

Pas als hoop lijkt opgebruikt
Elk geluk is verdwenen
En de dagen van verdriet
Zich eindeloos vertonen
Dan pas zie je helder
Wie je ware vrienden zijn.

Pas als horizon vervaagt
Je geen weg meer kan ontwaren
En jezelf compleet verloren
Afgebroken, neergehaald
Dan pas zie je helder
Wie je ware vrienden zijn.

Achteloos

“Ben je al bekomen?” vroeg ze achteloos, zoals “Hoe gaat het?”

6 maand voordien had ik mijn kind begraven; 3 jaar strijd tegen kanker. Nooit iets van haar vernomen. 

Ik stamelde verbouwereerd “anders benoemen”. Ze repliceerde “moedig dragen”.

Ik zag ze nog bij het weggaan, lurkend aan haar kankerstokje, me vertwijfeld toeknikkend. Ooit een bewonderenswaardige vrouw, nu slechts een vage schim.

 Langzaam

Langzaam neem ik afscheid van moeder. We zitten samen rond haar bed. Haar ademhaling  blijft onregelmatig en stokt af en toe. 

Zacht druppelen stukjes herinnering op het deksel van mijn mentale koffer vol jeugdsentiment. Weemoedig draal ik, speel bijna gedachtenloos met de denkbeeldige gesp. Iets weerhoudt mij het deksel te openen. Het uitnodigend gedruppel zwelt aan tot een zachte dwang. Ik ga overstag.

Het deksel valt krakend open. De stoffige geur van lange warme zomers verspreidt zich als een zachte nevel in mijn hoofd. En plots hoor ik haar stem, levensecht in mijn oren. Alleen de klank, zonder concrete woorden; het zachte timbre waarmee ze vastberaden, veeleer koppig, besliste wat goed was voor ons. We haatten dat zo. Het is jaren geleden dat we haar stem nog zo hebben gehoord.

En ik beleef weer haar ‘rijstijl’, als grootste motivatie het zelf te leren; krampachtig en steeds met 2 handen vastgesnoerd rond het stuur, enkel onderbroken door een hevige ruk aan de versnellingspook. Haar maximum snelheid overschreed nooit de helft van de snelheid van de andere auto’s.

In de absurditeit van het nu wachten we op haar laatste ademtocht. We verwachten, zonder verlangen, evenmin reikhalzend of ongeduldig. En we hopen, biddend een smeekbede, dat ze niet moet lijden. 

Langzaam neem ik afscheid van mijn moeder.

Hemel

“Jij bent al oud dus jij gaat dood!”
Zei de vierjarig dreumes plots.

“En dan zwaaide ik naar jou
En dan moest jij terugzwaaien naar mij.
Niet vergeten hè!”
Voegde hij er streng aan toe.

“Maar ik ging mee hoor met jou.
Dan klom ik op je rug
En gingen we samen naar de hemel.”
Zei hij nog snel.